gezondheid en wetenschap

Insulinebehandeling bij diabetes type 2

Wanneer start je met insuline?

Als je suikerwaarden in het bloed te hoog blijven, ondanks inname van één of meerdere suikerverlagende geneesmiddelen, zal je arts voorstellen om insuline toe te voegen aan je behandeling.
Wanneer je een operatie moet ondergaan of een ernstige ziekte doormaakt (zoals een zware infectie of een hartinfarct) heeft je lichaam meer insuline nodig. Ook dan is het soms nodig om tijdelijk insuline toe te voegen aan je behandeling.

Hoe gaat het in zijn werk?

Meestal zet je één spuitje langwerkende insuline na het avondeten. De insuline die je inspuit doet hetzelfde werk als de insuline die de alvleesklier normaal aanmaakt. Toediening gebeurt tussen 21 en 23 uur.
Het nodige aantal eenheden insuline varieert van persoon tot persoon (8 tot 200 eenheden). Meestal begin je met het inspuiten van 10 eenheden insuline 's avonds. In samenspraak met je arts kun je dan zelf de dosis verhogen, bijvoorbeeld om de drie dagen.
Een gezonde voeding en eten op vaste tijdstippen blijven belangrijk. Als je al een gezond voedingspatroon hebt, hoef je je eetgewoonten niet aan te passen bij de opstart van insuline. Tussendoortjes maken geen deel uit van het dieet van een persoon met diabetes op insulinebehandeling.
De suikerverlagende geneesmiddelen die je al innam voor de opstart van insuline blijf je meestal doornemen. Als je geen suikerverlagende geneesmiddelen mag innemen, omdat je bijvoorbeeld slecht werkende nieren hebt, is één inspuiting 's avonds met een langwerkend insuline meestal onvoldoende voor een goede suikercontrole. Een schema met 2 inspuitingen insuline is dan een mogelijkheid. Meestal is dat een mengeling van snel- en langwerkende insuline. De eerste inspuiting neem je vóór het ontbijt en de tweede vóór het avondeten.

Waarom je suikergehalte controleren met een vingerprik?

Voor een succesvolle en veilige behandeling met insuline moet je zelf via een vingerprik het suikergehalte in je bloed controleren. Meestal is één meting per dag voldoende. Je meet je suikergehalte 's ochtends voor het ontbijt; je doet extra metingen als je klachten hebt van hypoglycemie.

Hoe je dosis insuline aanpassen?

Omdat de dosis insuline die je lichaam nodig heeft kan schommelen, zal je arts of verpleegkundige je leren hoe je zelf de dosis van je avondinsuline kunt aanpassen. Hierbij baseer je je op de suikerwaarden die je gemeten hebt met een vingerprik. Het is mogelijk dat je ook zelf je insulinedosis moet aanpassen naargelang je dagindeling. Indien je bijvoorbeeld uit eten gaat, kan het zijn dat je enkele eenheden insuline meer moet inspuiten.
Als alleen je arts de dosis aanpast, bereik je geen goede suikercontrole. Zowel jij als je arts kunnen daardoor gefrustreerd raken. Een goede suikercontrole wordt niet in één dag bereikt, het duurt meestal 6 tot 12 maanden vóór je suiker perfect geregeld is.

Praktische tips voor een juist insulinegebruik

Bewaring
Ongeopende insulineverpakkingen kun je op een koele plaats (tussen 2 en 8°C) minstens drie jaar bewaren.
Voor alle insulines geldt dat ze niet mogen bevriezen. Stop bij een vliegtuigreis de insuline dus in je handbagage. In het vrachtruim van vliegtuigen daalt de temperatuur immers onder nul.
Insuline mag ook niet te warm worden. De maximale temperatuur bedraagt niet meer dan 45°C. Zorg er dus ook voor dat de verpakking niet in de zon komt te liggen.
Eens de cartouche in een insulinepen is ingebracht, kun je ze nog vier weken gebruiken. Om temperatuurschommelingen te voorkomen, wordt een insulinepreparaat dat in gebruik is niet telkens opnieuw in de koelkast gelegd.

Toediening
Insuline wordt ingespoten in de benen, billen, buik of armen. Bij het toedienen van insuline is het belangrijk telkens een andere inspuitplaats te kiezen. De snelheid waarmee insuline wordt opgenomen, varieert van zone tot zone. Zo wordt insuline sneller opgenomen als je injecteert in de buik dan in de benen.
Als je een mengvorm gebruikt van snel- en langwerkende insuline is het belangrijk de flacon met insuline ten minste tienmaal te zwenken of om te draaien voor toediening; gewoon schudden heeft onvoldoende effect.
Wacht na het volledig indrukken van de spuit 5 à 10 seconden alvorens de naald terug te trekken, om zeker te zijn dat alle eenheden zijn ingespoten. Het ontsmetten van de huid is niet nodig. De huid moet wel schoon zijn.
Gebruik best voor iedere inspuiting een nieuwe naald. Bij meerdere inspuitingen per dag is gebruik van één naald per dag aanvaardbaar.

Meer weten?

Lees ook onze andere patiëntenrichtlijnen over diabetes:
- Diabetes: wat is het en hoe wordt de diagnose gesteld?
-
Diabetes type 2: wat na de diagnose?
-
Diabetes type 2: gezonde eet- en leefgewoonten
- Diabetes: hypoglycemie (te lage bloedsuikerspiegel)
- Suikerverlagende geneesmiddelen bij diabetes type 2
- Zenuwaantasting (neuropathie) door diabetes

Bronnen

www.ebmpracticenet.be
www.domusmedica.be
www.bcfi.be
http://thuisarts.nl
www.diabetes.be


Verschenen op 15/07/2014

Bedankt voor je feedback!

Nieuwsbrief

Vul je emailadres in om onze nieuwsbrief te ontvangen.

icoontje van envelop bij invulvelden voor nieuwsbrief