gezondheid en wetenschap

ADHD (​Attention Deficit Hyperactivity Disorder)

Wat is het?

ADHD is een veelvoorkomende psychiatrische aandoening die gekenmerkt wordt door een overmatige beweeglijkheid (hyperactiviteit), concentratiestoornissen, impulsief gedrag en verstrooidheid. Er bestaat een vorm waarbij hyperactiviteit ontbreekt, en alleen concentratiestoornissen voorkomen. Deze vorm wordt ADD (Attention Deficit Disorder) genoemd, en wordt minder gemakkelijk herkend dan ADHD.
De basis van ADHD ligt een stoornis in de ontwikkeling waarbij het kind anders reageert op prikkels, zowel zintuiglijke (zien, horen, voelen,..) als emotionele. Zo zal een kind met ADHD overdreven reageren op stressvolle situaties (ruzie in het gezin, hoge schooleisen, verlies,…).
Voor ADHD bestaat veel interesse. Soms wil men de diagnose ADHD kunnen stellen om moeilijk gedrag te verklaren. Echter, gedragsproblemen kunnen ook een andere oorzaak hebben, alleen of bovenop ADHD. Daarom is het belangrijk dat de emotionele ontwikkeling van het kind uitgebreid wordt onderzocht om tot een volledig beeld te komen en om de juiste behandeling en aanpak te kunnen bepalen.

Hoe vaak komt het voor?

Tot 5% van de kinderen die voor het eerst naar school gaan heeft ADHD. Dit betekent dat in elke klas gemiddeld een kind ADHD heeft. ADD komt veel minder vaak voor, maar wordt ook minder gemakkelijk herkend.
Er bestaat een duidelijke erfelijke aanleg voor ADHD. Maar omgevingsfactoren tijdens de vroegste ontwikkelingsstadia kunnen ook een rol spelen. Een ouder van een kind met ADHD kan zelf ook ADHD hebben. Deze ouder kan enerzijds de problemen van het kind beter begrijpen, maar anderzijds zelf, door zijn aandoening, minder goed functioneren als ouder.
Gedragsproblemen als gevolg vanADHD komen vaker voor bij jongens dan bij meisjes. Omdat het probleemgedrag minder uitgesproken is bij meisjes wordt de diagnose bij meisjes soms niet gesteld.
Bij 1 op de 3 kinderen met ADHD zijn de problemen dermate ernstig dat ze reeds op zeer jonge leeftijd behandeld en begeleid moeten worden. Voor de meerderheid (2 op de 3 kinderen met ADHD) volstaan ondersteunende maatregelen op school.
Soms treden de problemen alleen op bij groepsactiviteiten. De ouders zijn dan verrast en wijten het probleemgedrag aan omgevingsfactoren.
De concentratiestoornissen kunnen blijven bestaan tot op volwassen leeftijd, en moeten dan ook aangepakt worden.

Hoe kun je het herkennen?

Gedraagt je kind zich heel druk en kan het moeilijk stilzitten? Gedraagt het zich impulsief en ongeremd? Is je kind vaak verstrooid? Heeft het problemen om zijn aandacht bij het spel of bij de les te houden? Reageert het overmatig op stress of op veranderingen? Dit kunnen allemaal symptomen zijn die wijzen op ADHD. Uiteraard is verder onderzoek steeds nodig om een juiste diagnose te kunnen stellen.
In 50% tot 90% van de gevallen hebben kinderen met ADHD ook andere psychiatrische problemen, zoals depressie, overmatige angst of opstandig gedrag. In 20% tot 25% van de gevallen gaat ADHD gepaard met leer- of ontwikkelingsstoornissen, bijvoorbeeld stoornissen in de taalvaardigheid, de bewegingsfunctie, het waarnemen, de communicatie. Sommige kinderen met ADHD hebben een laag zelfbeeld of een gebrek aan sociale vaardigheden. ADHD kan ook deel uitmaken van een andere ernstige aandoening, waaronder bepaalde vormen van autisme, dwangstoornissen of ticstoornissen.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

Het is belangrijk om de diagnose zo vroeg mogelijk te stellen. Maar ook een later gestarte behandeling of begeleiding is nuttig.
De benadering mag niet uitsluitend gericht zijn op de symptomen die de ouders of de omgeving van het kind vermelden. De emotionele ontwikkeling van het kind moet grondig onderzocht worden, om alle mogelijke probleemgebieden op te sporen. Hiervoor zal de arts gerichte vragen stellen. Bijvoorbeeld:
- vragen die peilen naar het leervermogen, het vermogen om te werken of naar de interessegebieden van het kind, vragen in verband met de mogelijkheid van het kind om te spelen en om zijn verbeelding te gebruiken;
- vragen naar het slaappatroon en de slaapkwaliteit van het kind;
- vragen naar eventuele angsten, gevoelens van onveiligheid, het vermogen om, rekening houdend met de leeftijd van het kind, van de ouders te worden gescheiden;
- vragen naar de kwaliteit van het contact met ouders, broers, zussen, leeftijdsgenoten. Vragen naar de gevoelens van het kind (positieve gevoelens, woede);
- hoe gaat het kind om met zijn eigen spullen? Met de spullen van anderen? Hoe gedraagt het kind zich ten opzichte van dieren?
- kan het kind steun zoeken of hulp vragen bij volwassenen? Kan het kind gehoorzamen aan volwassenen?
- hoe is de sfeer binnen het gezin? Kunnen de ouders goed samenwerken voor het opvoeden van de kinderen? Zijn de ouders te streng? Hoe gaan de ouders met elkaar om?
Deze vragen helpen de arts om te beslissen of verder onderzoek nodig is, maar ook de ouders om zich open te stellen voor een uitgebreide discussie over de ontwikkeling van het kind, gericht op het kind, het gezin, de naaste omgeving. Het is aanbevolen dat beide ouders vanaf het begin aanwezig zijn bij de gesprekken. Beiden zullen uitgenodigd worden om deel te nemen. Dit is des te belangrijker wanneer verdere behandeling noodzakelijk blijkt.

Mogelijke hulpmiddelen bij het stellen van de diagnose:
- ‘Winnicott Squiggle Game’: dit is een spel dat ontwikkeld werd om het contact tussen de arts en het kind te ondersteunen. Tijdens het spel tekenen het kind en de arts elk om beurt met potlood een paar krabbels op een vel papier. De andere zal de krabbels verder afmaken en een tekening maken, die een naam krijgt. Kinderen zullen dit meestal een interessant spel vinden, terwijl de arts de mogelijkheid krijgt om bepaalde vermogens van het kind te testen: samenwerking, het kunnen delen van ervaringen en ideeën met een andere persoon en het gebruik van verbeelding. Indien het kind geremd is, dan mag er geen druk worden gelegd. De voltooide tekeningen en de details worden wel besproken, maar er worden geen interpretaties aan gegeven.
- De huisarts kan, eventueel in samenspraak met de specialist, één of meerdere gestructureerde vragenlijst(en) laten invullen door de ouders of verzorgers, of door de leerkrachten van de school. Deze vragenlijsten peilen naar de emotionele ontwikkeling van het kind.
- De huisarts kan ook doorverwijzen naar een specialist. Hierbij zal hij een begeleidende brief meegeven met de medische voorgeschiedenis, de gegevens en de indrukken van de eerste raadpleging, een inschatting van de gevoelens en van de hulpbehoefte van het gezin.
- De school of opvang moet betrokken worden bij de aanpak. Dit is des te belangrijker als de ouders of andere familieleden het gevoel hebben dat het problematisch gedrag van het kind zich alleen op school of in de opvang voordoet.

Wat kun je zelf doen?

Observeer je kind en noteer wanneer en hoe vaak bepaald gedrag zich voordoet. Zoek tijdig hulp wanneer je denkt dat je kind ADHD heeft. Hoe vroeger de diagnose gesteld wordt, hoe eerder de begeleiding kan starten.

Wat kan je arts doen?

Je arts zal je, indien nodig, doorverwijzen voor verder onderzoek naar een multidisciplinair team (een team waarin hulpverleners met verschillende bekwaamheidsgebieden, onder wie vaak ook een kinderpsychiater, samenwerken). De school en/of opvang van het kind zullen steeds mee betrokken worden bij het onderzoek.
Het ogenblik waarop de behandeling of begeleiding wordt gestart en de keuze van de aard van de behandeling of begeleiding, zijn afhankelijk van verschillende factoren waaronder eventuele bijkomende emotionele problemen of ontwikkelingsstoornissen, het al dan niet voorkomen van andere gezinsproblemen, de draagkracht van de ouders en de beschikbaarheid van lokale voorzieningen. De meest succesvolle aanpak is steeds gebaseerd op hulp voor het kind zelf en hulp voor het gezin en is gericht op het verminderen van de aanwezige stoornissen en het ondersteunen van een gezonde ontwikkeling van het kind.
Het is belangrijk om de symptomen onder controle te krijgen en de emotionele ontwikkeling te ondersteunen. Het kind moet zich bewuster worden van zijn gevoelens in verschillende sociale omstandigheden en moet in staat zijn deze gevoelens te uiten. De ouders moeten leren de gepaste hulp te geven aan het kind. Het beste resultaat op korte termijn wordt verkregen met geneesmiddelen die de hersenen stimuleren. Het is belangrijk om deze geneesmiddelen niet te starten louter op basis van de symptomen alleen, maar pas na een uitgebreid onderzoek van het kind. Naast het gebruik van geneesmiddelen blijken sommige andere behandelingen doeltreffend, zoals ontspanningstherapie.

Gezinnen met kinderen met ADHD zullen baat hebben bij:
- begeleiding bij het opvoeden van deze kinderen,
- aanpassingsprogramma’s,
- georganiseerde vakanties voor de ouders of voor het gezin in zijn geheel,
- sociale steun,
- goede schriftelijke informatie, die ook achteraf weer geraadpleegd kan worden,
- activiteiten van zelfhulpgroepen voor ouders (bijvoorbeeld ZitStil vzw),
- psychotherapie voor het gezin.
Een nauwe samenwerking tussen school (CLB) en gezin is noodzakelijk. Meestal moeten speciale regelingen getroffen worden, zoals aandacht voor de behoeften van het kind, een duidelijke structuur in de aanpak, de aanwezigheid van een assistent in het klaslokaal, onderwijs in kleine groepen,…
Als een van de ouders zelf ook ADHD heeft, is het belangrijk voor de ontwikkeling van het kind dat deze ouder eveneens een passende behandeling of begeleiding krijgt.
Hulp door deskundigen bij de studiekeuze en bij het kiezen van een beroep zijn noodzakelijk. Ook de overgang van de kindertijd naar de volwassenheid vraagt een bijzondere aandacht.

Bron

www.ebmpracticenet.be

verschenen op 06/12/2013

Bedankt voor je feedback!

Nieuwsbrief

Vul je emailadres in om onze nieuwsbrief te ontvangen.

icoontje van envelop bij invulvelden voor nieuwsbrief