Hoe interpreteer je risicopercentages?

We lezen regelmatig dat een geneesmiddel of een gezonde eet- en leefgewoonte het risico op een aandoening met bijvoorbeeld 30% kan doen dalen. Wat betekent dit?


EEN WOORDJE UITLEG …

We starten met een voorbeeld: een hoger cholesterolgehalte kan het risico op hart- en vaatziekten doen stijgen. Een arts zal met geneesmiddelen het cholesterolgehalte doen dalen, met als doel het risico op hart- en vaatziekten te beperken. Een voorbeeld van dergelijk geneesmiddel is atorvastatine, dat het risico op hart- en vaatziekten met 30% kan doen dalen. Dit betekent alvast niet dat je persoonlijk risico op hart- en vaatziekten daalt met 30%, zoals velen denken. De reden hiervoor is dat de kans groot is dat je nooit hart- en vaatziekten zult krijgen: je kunt het risico op een ziekte niet met 30% doen dalen als je de ziekte niet krijgt. Zo mogen we ons gelukkig prijzen dat niet iedereen in onze maatschappij hart- en vaatziekten ontwikkelt. Terwijl sommigen de ziekte wel krijgen, ook al leven ze gezond.


Een voorbeeld

Als voorbeeld nemen we een onderzoek met 100 deelnemers die het cholesterolverlagend geneesmiddel atorvastatine krijgen (groep ATOR) en 100 deelnemers die een placebo krijgen (groep PLAC) (Figuur 1).

In de groep ATOR zijn er dus 30% minder hart- en vaatziekten. Als er bijv. 20 hart- en vaatziekten zijn in de groep PLAC, dan zijn er in de groep ATOR 30% minder. 30% van 20 zieken is afgerond 7, met andere woorden: in groep ATOR zijn er 13 deelnemers met hart- en vaatzieken. Belangrijk is dat in beide groepen de meerderheid van de deelnemers geen hart- en vaatziekten krijgt. De 30% daling in de groep ATOR slaat dus op het voorkomen van hart- en vaatziekten binnen een bevolking, en heeft niets te maken met je persoonlijk risico.

Figuur 1. Wanneer 100 mensen behandeld worden met atorvastatine (ATOR), krijgen 7 personen minder een hart- en vaatziekte. Dit is een risicodaling van 30% ten opzichte van de placebogroep (PLAC).


Number needed to treat

Een bijvraag: hoeveel mensen moeten er behandeld worden met atorvastatine om één hart- en vaatziekte te vermijden? Deze vraag is interessant: als één miljoen mensen een bepaald geneesmiddel moeten nemen om één geval te vermijden, dan kun je je vragen stellen omtrent de (financiële) haalbaarheid van dergelijke maatregel. In het vorig voorbeeld kon de groep ATOR 7 gevallen van hart- en vaatziekte vermijden op 100 deelnemers. Als we 100 delen door 7, komen we afgerond op 14 uit. Met andere woorden: 14 personen moeten behandeld worden om één hart- en vaatziekte te vermijden.

Dit concept noemt men ‘number needed to treat’ (NNT), letterlijk ‘het aantal dat je moet behandelen’. Dit getal heeft nog een andere eigenschap: het is afhankelijk van hoe frequent een aandoening voorkomt binnen een bevolking. Als een ziekte weinig voorkomt, dan stijgt het NNT (number needed to treat): in dat geval moeten meer mensen behandeld worden om één ziektegeval te voorkomen. We vergelijken twee situaties (Figuur 2): in het eerste geval lijden 20 mensen op 100 in de groep PLAC_A aan hart- en vaatziekten, in het tweede geval 6 mensen op 100 in de groep PLAC_B.

Een 30% daling zal in het eerste geval een daling van 7 zieken geven op 100 in de groep ATOR_A, en in het tweede geval slechts 2 zieken op 100 in de groep ATOR_B. Voor de eerste situatie is NNT gelijk aan 14, voor de tweede 50.

Figuur 2. Berekenen van numbers needed to treat (NNT) in functie van het voorkomen van een ziekte.

CONCLUSIE

Risico’s worden vaak uitgedrukt in percentages. Dat is interessant om studies met elkaar te vergelijken en om een effect te kennen op bevolkingsniveau, maar individueel maakt het je niet veel wijzer. Het concept ‘number needed to treat’ (NNT) drukt uit welke inspanningen moeten gebeuren om een ziekte te bestrijden (en of deze investering loont) en is vooral interessant op maatschappelijk vlak.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief