Wordt tandpijn veroorzaakt door een tekort aan aspirine?

Het is niet omdat een aspirientje tandpijn verzacht, dat tandpijn het gevolg is van een tekort aan aspirine. Veel misverstanden zijn gebaseerd op het niet goed begrijpen van oorzaak-gevolgrelaties. Gezondheid en Wetenschap legt uit in welke gevallen je van oorzaak en gevolg kunt spreken.


Wat zijn oorzaak-gevolgrelaties?

Hoe weten we of een relatie tussen twee gegevens oorzakelijk (causaal) is? Waarom weten we bijvoorbeeld dat roken longkanker kan veroorzaken?

Een woordje uitleg …

Oorzaak-gevolgrelaties lijken vaak eenvoudig, maar zijn dat niet altijd. Zo lijkt het, wanneer je de motor van een wagen start door met de sleutel in het contact te draaien, alsof deze sleutel alleen voldoende is om de motor te doen draaien. Achter deze eenvoudige handeling schuilt echter een hele reeks processen die essentieel zijn opdat het finaal draaien met de sleutel de wagen doet rijden. Zo moet er bijv. op tijd getankt worden, moet de batterij in orde zijn, moet er voldoende olie in de motor zijn, enz.

Een oorzaak-gevolgvaststelling steunt dikwijls op waarnemingen. Sommige waarnemingen worden geassocieerd met een gevolg, terwijl de werkelijkheid veel complexer is: hoe duidelijk de werking van de sleutel in het contact ook is, de motor zal niet starten als alle andere componenten niet in orde zijn. Het schijnbare gevolg van de handeling zal m.a.w. uitblijven.

Ook ziek worden kent meestal een ingewikkelde oorsprong. Een hele reeks elementen moeten aanwezig zijn opdat de ziekte optreedt. Toch hebben mensen vaak de indruk dat één waarneming alle schuld draagt, wat vaak niet helemaal juist is. De ‘sleutel’ van een griepepidemie ligt natuurlijk bij het griepvirus, omdat je zonder dat virus simpelweg geen griep kunt krijgen. Toch krijgt niet iedereen griep tijdens een griepepidemie, omdat nog andere componenten aanwezig moeten zijn. Zo zal iemand die regelmatig zijn handen wast, minder snel ziek worden.


Wanneer spreken we van een oorzakelijk verband?

De Britse onderzoeker Bradford Hill trachtte in 1965 een aantal punten op te stellen om een oorzaak-gevolgrelatie vast te leggen.

  1. Sterkte van het verband: sterke verbanden verhogen de kans op een oorzaak-gevolgrelatie. Zo is het verband tussen roken en longkanker zo sterk (85 tot 90% van alle longkankers treft rokers) dat geen twijfel nodig is.
  2. Tijdsrelatie: om van een oorzaak-gevolgrelatie te kunnen spreken, moet de oorzaak voor het gevolg optreden. Je moet natuurlijk eerst roken en nadien longkanker ontwikkelen om een verband vast te stellen tussen beide.
  3. Consistentie: verschillende studies, uitgevoerd met verschillende methodes op verschillende tijdstippen en verschillende deelnemersgroepen, moeten vergelijkbare resultaten opleveren. Hoe meer studies hetzelfde oorzaak-gevolgverband kunnen aantonen, hoe sterker het verband is. Vele studies tonen aan dat rokers meer longkanker hebben, zowel in Europa, Azië, Amerika als Afrika. In de praktijk betekent dit dat één studie nooit het ‘goede’ of ‘slechte’ weer mag bepalen.
  4. Plausibiliteit: als een oorzaak-gevolgverband wordt vermoed, moet nagegaan worden of dit verband waarschijnlijk kan geacht worden. Kan de actuele wetenschappelijke kennis het verband ondersteunen? In tabaksrook werd bijv. een hele reeks kankerverwekkende stoffen vastgesteld die het ontstaan van kanker kunnen verklaren.
  5. Coherentie: alle beschikbare gegevens (epidemiologische, biologische, medische, …) moeten een coherent (samenhangend) geheel vormen. Er mag m.a.w. geen tegenspraak zijn tussen de verschillende onderzoeksgebieden. Zowel studies op dieren als op mensen, als studies met cellen tonen bijv. de schadelijke effecten van roken aan.
  6. Specificiteit: het oorzaak-gevolgverband moet enkel en alleen tot één effect leiden, en dit effect moet alleen het gevolg zijn van deze unieke factor. Dit criterium is echter zeer moeilijk te bewijzen. Bovendien kan een factor verschillende gevolgen hebben. Roken kan niet alleen longkanker veroorzaken, maar bijv. ook hartproblemen.
  7. Dosis-effect-relatie: een stijging in dosis, duur of intensiteit leidt tot een verhoging van het risico. Hoe meer je rookt, hoe groter de kans op longkanker.
  8. Type onderzoek: er zijn verschillende niveaus van geloofwaardigheid van oorzaak-gevolgrelaties, afhankelijk van het type onderzoek. Zo horen interventiestudies tot het hoogste bewijsniveau. Je kan echter geen mensen verplichten om te roken om het voorkomen van longkanker te bestuderen. Hiervoor heb je waarnemingsstudies (observatiestudies) nodig, die een lagere bewijskracht hebben.
  9. Overeenkomst of verband: het bestaan van overeenkomsten kan bestudeerde relaties waarschijnlijker maken. Aangezien sigaretten longkanker kunnen veroorzaken, is het roken van sigaren waarschijnlijk niet veel beter.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief