Interventiestudies en observatiestudies

‘Een studie toont aan dat …’, lezen we vaak in de pers. Maar niet alle studies zijn gelijk. Hieronder leggen we uit waarom.

EEN WOORDJE UITLEG …

Er zijn twee hoofdcategorieën van studies, namelijk interventiestudies en observatiestudies.

In een interventiestudie doet de onderzoeker iets dat het leven van deelnemers beïnvloedt. De deelnemers nemen bijv. een geneesmiddel in (interventiegroep), en vervolgens worden de effecten van deze ‘interventie’ vergeleken met een andere groep deelnemers die het geneesmiddel niet innemen (controlegroep).

In een observatiestudie neemt de onderzoeker enkel waar: de deelnemers moeten niets doen, ze worden enkel geobserveerd.

Deze verschillende studies laten toe om op gepaste wijze vele problemen te onderzoeken. Om na te gaan wat roken met de gezondheid doet, kun je een observatiestudie doen. Daarbij wordt de gezondheid van rokers opgevolgd en vergeleken met die van niet-rokers. In het geval van roken kun je moeilijk een interventiestudie doen. Daarvoor zou een groep mensen moeten roken om de effecten te vergelijken met niet-rokers. Mensen verplichten om te roken is echter niet ethisch verantwoord.

Interventiestudies worden hoger aangeprezen dan observatiestudies. De reden is eenvoudig: in een goede interventiestudie wordt een grote groep ‘vergelijkbare’ deelnemers (bijv. allemaal sportieve 50-plussers) in twee groepen verdeeld: de interventiegroep en de controlegroep. De verdeling gebeurt door toeval (bijv. lottrekking). Dit is niet het geval voor een observatiestudie.

Een voorbeeld: observatiestudies tonen aan dat mensen met weinig vitamine D in het bloed vaker diabetes ontwikkelen. De conclusie zou dus kunnen zijn dat je mensen vitamine D-supplementen moet toedienen om het risico op diabetes te verlagen. Om dat te controleren, kun je een interventiestudie opzetten. Het verband blijkt echter geen oorzakelijk verband: wanneer deelnemers in interventiestudies vitamine D toegediend kregen versus een controlegroep die dat niet kreeg, werd geen verschil vastgesteld: alle deelnemers hadden evenveel risico op het ontwikkelen van diabetes, of ze een laag vitamine D-gehalte hadden of niet.

De observatiestudie toonde dat meer mensen met een laag vitamine D-gehalte diabetes ontwikkelen (figuur 1A), maar dit is misleidend.

Figuur 1A. Observatiestudie die de relatie nagaat tussen het vitamine D-gehalte in het bloed en het voorkomen van diabetes

Rode figuurtjes = laag vitamine D-gehalte
Gele figuurtjes = hoog vitamine D-gehalte
De meerderheid van de mensen met diabetes hadden een laag vitamine D-gehalte in het bloed.

Blijkbaar waren het vooral zwaarlijvige mensen die een laag vitamine D-gehalte hebben, en ernstig overgewicht is een risicofactor voor diabetes (figuur 1B). De boodschap is dus niet extra vitamine D geven, maar vermageren.

Figuur 1B. Observatiestudie die de relatie nagaat tussen het vitamine D-gehalte in het bloed en het voorkomen van diabetes

Rode figuurtjes = laag vitamine D-gehalte
Gele figuurtjes = hoog vitamine D-gehalte
De meerderheid van de mensen met diabetes hadden een laag vitamine D-gehalte in het bloed, maar leden ook aan obesitas.

In een interventiestudie zullen onderzoekers aan deelnemers vitamine D toedienen versus een placebo, en de groepen vergelijkbaar opstellen: in beide groepen zijn er zowel mensen met veel en weinig vitamine D in het bloed als mensen met en zonder obesitas (figuur 2). Dat maakt het mogelijk conclusies te trekken zonder beïnvloedende factoren.

Figuur 2. Interventiestudie die de relatie nagaat tussen het toedienen van vitamine D en het voorkomen van diabetes

Rode figuurtjes = laag vitamine D-gehalte
Gele figuurtjes = hoog vitamine D-gehalte

CONCLUSIE

Studieresultaten uit interventiestudies zijn doorgaans betrouwbaarder, omdat er minder storende factoren zijn die misleidende conclusies kunnen geven. Veel studies die de media halen, zijn echter observatiestudies.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief