gezondheid en wetenschap

Hoge bloeddruk (hypertensie)

Wat is het?

De bloeddruk is de druk die het bloed heeft in de grote slagaders. Deze druk wordt gemeten in de slagader van de bovenarm.
We meten twee waarden: de bovendruk of de systolische bloeddruk (SBD) en de onderdruk of de diastolische bloeddruk (DBD). De systolische druk is de druk tijdens de samentrekkingsfase van het hart, dus wanneer het hart het bloed in de slagaders pompt. De diastolische druk is de druk tijdens de ontspanningsfase of vullingsfase van het hart, dus wanneer het hart zich vult met bloed.
De gemeten waarden worden uitgedrukt in millimeter kwikdruk (mmHg). Dit betekent dat de bloeddruk wordt vergeleken met de druk die door een bepaalde hoeveelheid kwik wordt uitgeoefend in een meettoestel. Verhoogde bloeddruk of hypertensie heb je bij een systolische bloeddruk boven de 140 mmHg en/of een diastolische bloeddruk boven de 90 mmHg. Bij een bovendruk van meer dan 180 mmHg en/of een onderdruk van meer dan 110 mmHg spreken we van ernstige hoge bloeddruk.
Hypertensie kan primair of secundair zijn. Bij primaire hypertensie is er geen onderliggende ziekte. Secundaire hypertensie betekent daarentegen dat een andere aandoening aan de basis ligt, zoals een nierziekte of een slechte schildklierwerking.

Hoe vaak komt het voor?

Hypertensie is wereldwijd verantwoordelijk voor 6% van alle overlijdens bij volwassenen. De hoogte van de bloeddruk is zeer leeftijdsgebonden. Tot 30 jaar heeft slechts 1 tot 2% van de bevolking een hoge bloeddruk, bij 60-plussers loopt dat cijfer op tot ongeveer 60%. Vooral de systolische bloeddruk blijft stijgen, terwijl de diastolische bloeddruk vanaf 60 jaar de neiging vertoont om opnieuw te dalen. Boven de 50 jaar neemt het aantal gevallen van hypertensie bij vrouwen iets sneller toe dan bij mannen. De oorzaak is niet duidelijk. Wellicht spelen hormonale factoren een rol. Hoe dan ook zijn er boven de 60 jaar meer vrouwen dan mannen met een hoge bloeddruk: 95% van de gevallen zijn primair, 5% secundair.

Hoe kun je het herkennen?

Mensen met een hoge bloeddruk hebben meestal geen klachten. Je wordt het dus niet gewaar, en precies dat maakt het gevaarlijk. Er kan immers al schade zijn aan de organen voor de diagnose wordt gesteld. Enkel bij zeer hoge druk treden soms klachten op als hoofdpijn aan het achterhoofd, verminderde inspanningscapaciteit, kortademigheid.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

De huisarts meet systematisch de bloeddruk bij alle mensen tussen 40 en 80 jaar, ongeacht de reden waarvoor ze op raadpleging komen.
Een enkele keer een verhoogde waarde betekent nog niet dat je aan hypertensie lijdt. Daarom zal de arts meestal niet meteen een behandeling instellen, maar zal hij de bloeddruk eerst een paar maal controleren. Ook zal hij je vragen om de bloeddruk thuis zelf te meten. Want soms volstaat de stress en de angst om op consultatie te komen om de bloeddrukwaarden vanzelf te doen stijgen. Dit fenomeen noemt men wittejashypertensie. De gemiddelde waarde van herhaalde thuismetingen is dus betrouwbaarder.
Vaak wordt ook gekozen voor een 24-uurs bloeddrukmeting. Je draagt dan een bloeddrukmeter die gedurende 24 uur ter plaatse blijft en op vaste tijdstippen automatisch de druk meet. Op die manier kan men een gemiddelde berekenen dat gebaseerd is op meerdere metingen.
Is er bij jou hypertensie vastgesteld, dan zal je arts nagaan of ze primair of secundair is. Dit gebeurt o.a. door een bloed- en urineonderzoek, en soms ook door meer gespecialiseerde technische onderzoeken. Bij vermoeden van een onderliggende aandoening zul je altijd verwezen worden naar een specialist voor verdere oppuntstelling.
Ten slotte zal je arts op regelmatige tijdstippen nagaan of de verhoogde bloeddruk orgaanschade heeft aangericht. Het gaat hierbij vooral om hart- en vaatziekten zoals beroerte (CVA), dementie en verstopte bloedvaten, chronische nieraandoeningen en aantasting van het netvlies in het oog.

Wat kun je zelf doen?

Als je vermoedt dat je aan verhoogde bloeddruk lijdt, dan kun je thuis je bloeddruk zelf meten met een bloeddrukmeter. Dat doe je best gedurende 7 opeenvolgende dagen, 4 keer per dag, tweemaal kort na elkaar ’s morgens tussen 6 en 9 uur, en tweemaal ’s avonds tussen 18 en 21 uur. Je doet dit het best al zittend met de manchet rond de ontblote bovenarm. Je moet bovendien minstens 5 minuten ontspannen zijn. Meet dus niet direct na het opstaan, onmiddellijk na de maaltijd, na inspanningen of bij stress. Noteer de waarden en vermeld eventuele bijzonderheden (slecht geslapen, kwaad geweest, lange autorit, ziek geweest …). Er bestaan lijsten met erkende goede bloeddrukmeters. Vraag je arts er een paar voor je op te schrijven.
Aangezien hypertensie een van de voornaamste oorzaken is van hart- en vaatziekten, is het zeer belangrijk om er gezonde leefgewoonten op na te houden. Stop met roken, beweeg voldoende, let op je gewicht, eet minder vet, suiker en zout. Eet niet meer dan 6 gram zout per dag; dat is ongeveer een afgestreken koffielepel. Houd er rekening mee dat in veel voedingswaren al zout zit. Zo bevat een gewoon groot brood bijvoorbeeld al 4 gram zout. Ook bouillonblokjes en bereide vleeswaren kunnen veel zout bevatten. Je hoeft dus eigenlijk geen zout meer toe te voegen aan een gewone voeding. Vind je het voedsel zonder zout niet lekker, dan kun je vervangzout gebruiken. Dat bevat kalium in plaats van natrium en heeft geen bloeddrukverhogend effect.

Wat kan je arts doen?

Bij volwassenen streeft de arts naar een bloeddruk van 140/90 mmHg; in geval van diabetes naar 140/85 mmHg of minder. Bij 80-plussers is een waarde van 150/90 mmHG aanvaardbaar.
Randgevallen hoeven geen behandeling. Maar vanaf een bloeddruk hoger dan 180/110 mmHg zal de arts onmiddellijk een behandeling met medicatie opstarten. Bij lagere waarden bepaalt hij eerst je risico op hart- en vaatziekten. Dit gebeurt aan de hand van je persoonlijke risicofactoren zoals leeftijd, geslacht, roken, gewicht, bloeddruk, cholesterol en vetgehalte in het bloed, lichaamsbeweging, erfelijke belasting. Een hoog risico betekent dat je meer dan 10% kans hebt om de komende 10 jaar een verwikkeling te krijgen als gevolg van een hart- of vaatziekte. Bij een matig risico is dat 5 tot 9%, en bij een laag risico minder dan 5%.
Bij hoog en matig risico zal je arts een behandeling instellen die stapsgewijs wordt opgebouwd. Bij laag risico probeert men eerst een paar maanden levensstijlaanpassingen door te voeren: rookstop, gewicht verliezen, minder zout, meer bewegen. Pas als dat niet helpt, wordt ook hier een behandeling ingesteld.
Men start in de regel met een lage dosis thiazide. Dat is een zout- en vochtafdrijvend middel. Daalt de bloeddruk hiermee onvoldoende, dan voegt men andere bloeddrukverlagers toe, eerder dan de dosis van een middel almaar te verhogen. Het combineren van geneesmiddelen in lage dosis met een verschillend werkingsmechanisme heeft een beter effect dan een hoge dosis van één middel. Is er naast de hypertensie ook sprake van een hart- of vaatziekte, een nierziekte of diabetes, dan zal de arts een keuze maken tussen de verschillende soorten geneesmiddelen.
Maandelijkse controle van de bloeddruk is aanbevolen tot de waarden opnieuw normaal zijn en stabiel blijven. Daarna volstaat een driemaandelijkse of zelfs halfjaarlijkse controle. Eenmaal per jaar gebeurt een bloed- en urineonderzoek en een bepaling van het risico op hart- en vaatziekten. Zijn er ook andere ziekten zoals diabetes en nieraandoeningen, dan volgen de controles uiteraard sneller op elkaar. Bij bloeddrukwaarden boven 180/110 mmHg, word je altijd verwezen voor specialistisch onderzoek.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be
Domus Medica/richtlijn hypertensie (herziening)
www.bcfi.be.


Verschenen op 19/09/2014

Bedankt voor je feedback!

Nieuwsbrief

Vul je emailadres in om onze nieuwsbrief te ontvangen.

icoontje van envelop bij invulvelden voor nieuwsbrief